|
Juli 1999. Stanley de Fretes, voormalig eerstverantwoordelijk verpleegkundige, is bang dat hij een hersenschudding heeft. Hij is duizelig na tegen een lantaarnpaal aan te zijn gelopen en meldt zich op de Eerste Hulp van het Nijmeegse Radboudziekenhuis. Het is er ongewoon rustig: heel Nijmegen en omgeving is uitgelopen om de vierdaagselopers te begroeten. Dan gaat het licht bij hem uit. Weer bij kennis is het een drukte van jewelste. Dokters, monitoren
een compleet ER-spektakel. Stanley blijkt een hartinfarct te hebben. Het is een geluk bij een ongeluk dat hij al in het ziekenhuis was, anders had hij het niet gered. Onderzoek wijst uit dat hij een serieus hart- en bloedvatprobleem heeft en niet lang daarna volgt een tweede infarct. Na de onvermijdelijke bypass lijkt het even goed te gaan, maar revalideren wil maar niet lukken en Stanley valt terug in een frusterend niets meer kunnen. Daar krijgt hij nog een lichte hersenbloeding overheen, waar zijn rechter lichaamshelft licht verstijfd van blijft. Bloedvatonderzoeken duiden op verstopte halsslagaderen. Harttransplantatie zou niet mogelijk zijn...
MIJN WERELD STORTTE IN Stanley: Toen stortte mijn wereld in. Ik was ervan overtuigd dat ik dood zou gaan. Murw, na al die klappen had ik ook helemaal geen zin meer in het leven. Toen stond mijn vrouw op: zij accepteerde het gewoon niet. Ze zei: Je móet voor transplantatie gaan! Mensen om mij heen praatten op me in en tijdens het bijwonen van een tv-uitzending van Vinger aan de pols trok een succesvol getransplanteerde me over de streep. Opnieuw gescreend, nu in Nieuwegein, kreeg ik een totaal andere diagnose, namelijk geschikt voor transplantatie. Sindsdien weet ik het zeker, mijn vrouw heeft altijd gelijk.
IK WIL VOLHOUDEN VOOR HET KIND DAT GAAT KOMEN Daarna zijn mijn hoop en motivatie alleen maar gegroeid. Want ze is nu dertien weken zwanger van ons eerste kind. Mensen om me heen vragen wel eens of dat in mijn situatie verstandig is. Ik weet zeker van wel. Het inspireert mij om te blijven vechten voor mijn leven en ook voor mijn kinderen uit mijn eerste huwelijk. En mocht het onverhoopt toch verkeerd aflopen, dan leeft er nog iets van ons samen voort. Het kan mij nu niet snel genoeg gebeuren, die transplantatie. Ik ben er zo aan toe! Ik wacht nu zes maanden. Mijn dagen zijn wisselend. Soms ben ik uitgeput, dan is het moreel ook minder. Maar ik wil volhouden. Natuurlijk zijn we zelf ook geregistreerd donor. De mensen mogen best weten dat een orgaan of weefsel doneren een ultieme vorm van naastenliefde is. Ja, ik hoop elke dag op dat bevrijdende telefoontje! 
[ Bron: De donorkrant [zie ook www.nigz.nl] ]
|