|
Orgaandonatie staat weer op de politieke agenda. Terecht, niet alleen omdat kabinet en Kamer in 1995 bij de aanvaarding van de Wet orgaandonatie besloten het toen overeengekomen stelsel van tijd tot tijd te evalueren, maar vooral omdat het nieuwe systeem niet aan de verwachtingen heeft voldaan. Het aantal orgaandonaties blijft sterk achter bij de ramingen van 1995, terwijl de vraag naar donororganen toeneemt. Gevolg: bijna 1200 nierpatiënten wachten op een transplantatie, soms vier jaar lang. Patiënten die zonder een ander hart niet verder kunnen leven, wachten vaak tevergeefs.
Datzelfde geldt voor ernstig zieke longpatiënten, voor wie geen alternatief bestaat. Tegen deze sombere achtergrond past weinig waardering voor het talmen van de wetgevers. De patiëntenverenigingen bepleiten opnieuw een 'geen bezwaarsysteem': omkering van het bestaande stelsel, omdat de bezwaarden worden geregistreerd in plaats van de burgers die geen bezwaar aantekenen tegen het uitnemen van organen bij vroegtijdig overlijden. Dat systeem blijkt in België en Frankrijk een groter aantal vitale organen op te leveren. De evaluatie van het in 1995 ingevoerde vrijwillige registratiesysteem kan beperkt blijven tot een toetsing van opbrengst en omstandigheden. Een nieuwe discussie over de voors en tegens van het 'geen bezwaarsysteem' is eigenlijk overbodig.
De tegenstanders van dat 'geen bezwaar-systeem' vinden dat donorschap niet mag worden opgedrongen. Het zelfbeschikkingsrecht laat niet toe dat de zeggenschap over het eigen lichaam wordt overgedragen, zo luidt hun boodschap. Aan het recht op zelfbeschikking wordt zo een absoluut karakter gegeven. De potentiële donor heeft overigens in het 'geen bezwaar-systeem' de mogelijkheid zelf te beschikken door bezwaar aan te tekenen. Dat bezwaar blijft gelden tot hij of zij dat zelf herroept.
Dat de discussie over het zelfbeschikkingsrecht emoties oproept heb ik zelf ervaren bij de behandeling van de Wet orgaandonatie in 1995. Na een afweging in eigen (politieke) kring en na overleg met diverse instanties en patiëntenorganisaties stelde ik toen namens de CDA-Kamerfractie voor ook in Nederland het 'geen bezwaar-systeem' in te voeren. Op grond van informeel beraad met woordvoerders van andere fracties verwachtte ik een toereikend draagvlak voor die benadering, in elk geval bij PvdA en D66, hoewel de woordvoerders (Rob Oudkerk en Roger van Boxtel) mijn voorstel niet mede ondertekenden. De desondanks ingediende amendementen ontlokten wel zware kritiek van de VVD en de kleine christelijk partijen. Tijdens het debat repliceerde ik op felle VVD-interrupties over de aantasting van het zelfbeschikkingsrecht: 'Wij zijn niet van onszelf maar van elkaar', een eigen vertaling van het solidariteitsbeginsel, dat ik alle jaren in de politiek arena heb verdedigd. Misschien had ik andere bewoordingen moeten gebruiken. Maar overeind bleef en blijft dat saamhorigheid in welke samenleving ook ieder mens verplicht wat over te hebben voor de ander, uiteraard voor zover dat in zijn of haar vermogen ligt.
De verwarring in de Kamer en de toen nog onzekere opstelling van PvdA en D66 brachten minister Borst tot het verzoek om de beraadslagingen te schorsen, zonder antwoord in eerste termijn. Dat was een even opmerkelijke als begrijpelijke stap, die enkele maanden later leidde tot een gewijzigd wetsvoorstel met een variant op het bestaande stelsel. Iedere Nederlander kreeg de gelegenheid om zich vrijwillig aan te melden bij het donorregister dan wel bezwaar aan te tekenen. Zou enige melding uitblijven, dan beslisten de nabestaanden, conform de tot dan toe gangbare praktijk. Met dat compromis heb ik destijds ingestemd, in de wetenschap dat de evaluatie wel zou uitwijzen of een gemengd stelsel op basis van vrijwilligheid zou werken. Nu vaststaat dat het tekort aan donororganen is blijven bestaan, ondanks de inzet van diverse instanties om de voorlichting te intensiveren en de faciliteiten in de ziekenhuizen te verbeteren, moet gevreesd worden dat een oplossing van het donortekort niet in het verschiet ligt.
Gegeven het feit dat ook bij verdere verbetering van veiligheid en leefklimaat nog altijd veel organen verloren gaan, durf ik de absolute zelfbeschikking voorbij te gaan. Ik stel dat recht niet ter discussie, maar wijs wel op de plicht om op enig moment kenbaar te maken dat men bezwaar heeft tegen het uitnemen van organen. Dat is toch niet teveel gevraagd van mensen die deelgenoot willen zijn in een echte samenleving.
Bij de discussie over orgaandonatie is ook de integriteit van het lichaam in het geding, vanwege de verankering in de grondwet, maar ook om de emotionele aspecten. Gevoelsmatige weerzin is voor nabestaanden vaak een reden om orgaandonatie af te wijzen. Toch is bij die moeilijke want morele keuze ook de vraag aan de orde, of en zo ja op welke wijze een ernstig zieke patiënt kan worden geholpen. Het zelfbeschikkingsrecht verwordt tot een strak individualisme, wanneer zelfs de keuze voor of tegen orgaandonatie niet mag worden gevraagd. Volgens uitspraken van woordvoerder Ormel beschouwt de huidige CDA-Kamerfractie en met haar misschien ook andere politieke groeperingen orgaandonatie als een gift, zelfs van de nabestaanden. In die visie worden solidariteit en naastenliefde vrijblijvende zaken. Die benadering is te gemakkelijk, te weinig verplichtend. Ik pleit daarom voor de lijn die de Nierstichting voorstaat: een gemodificeerd 'geen bezwaar-systeem', waarin iedere Nederlander gevraagd wordt een keuze kenbaar te maken.
Bij het uitblijven van antwoord, wordt in een tweede brief meegedeeld dat de betrokken persoon is opgenomen in het donorregister. Dat hij of zij alsnog kenbaar kan maken uit het register verwijderd te worden, moet toch voldoende zijn om het evenwicht tussen rechten en plichten te waarborgen.
Anders gezegd: de zelfbeschikking voorbij, op grond van de verbinding tussen eigen verantwoordelijkheid en solidariteit.
Dr. Ad Lansink was van 1977 tot 1998 lid van de Tweede Kamer voor het CDA, en onder meer woordvoerder volksgezondheid.
[ Bron: Gelderlander 02-07-2004 ]
|