|
In zijn klas treuren de kinderen om Sven, hun gestorven Pietje Bell met al zijn kattekwaad. Op zijn tafeltje en in de hal van zijn school hebben ze zijn foto gezet en een kaarsje. Dan waait er, doordat een raam open staat, een stuk papier precies op de kaars en vat vlam. Dat is typisch Sven, de ondeugd, zeggen zijn ouders Babeth en Willem Boonstra. We hebben - ondanks alles - in een deuk gelegen. In hun ogen kan het niet anders, of Svens zieltje flikte nog even een laatste kunstje op school.
Vlak achter zijn huis in Almelo verongelukt de tienjarige Sven op 2 juni. Hij wordt bij het oversteken op zijn skeelers geschept door een 23-jarige automobiliste, die even sigaretten haalt. Tussen het blik kan Sven de naderende auto niet zien; en de automobiliste hem niet. Ze rijdt niet te hard.
We verwijten haar niets. Ze kon geen kant op, er was nergens ruimte om uit te wijken. Het ligt voor de hand om te zoeken naar een schuldvraag: hadden we maar dit, had ik maar dat, had zij maar zus... Dat is zinloos. Hier kon niemand wat aan doen. Het was vette pech. Zij heeft nu ook levenslang en dat gun je niemand.
BERICHT
Het bericht van het ongeluk wordt gebracht door een vrouw uit de buurt, die vlak bij de onheilsplek woont. Bent u de vader van Sven...?
Als Willem arriveert staat de ambulance er al. Van een afstand ziet hij de auto met de kapotte voorruit, waar Sven met zijn hoofd tegenaan moet zijn gekomen. Ik voelde opluchting. Het zag er namelijk helemaal niet zo erg uit. Weinig bloed, wat schaafplekken. Sven leek alleen buiten westen, dus ik dacht dat het nog meeviel.
In het ziekenhuis blijkt dat Sven een gevaarlijke hersenkneuzing heeft. Om zijn hersenactiviteit zo laag mogelijk te houden brengen de artsen hem kunstmatig in een coma. Een week lang hebben Willem en Babeth hoop dat Sven het wel zal redden. In de nacht van 9 op 10 juni is er geen hoop meer. Op de 14e wordt Sven officieel dood verklaard. Typisch genoeg had Babeth het pas nog met Sven gehad over de dood. Als ik in coma kom te liggen, dan mogen jullie wat mij betreft de stekker eruit trekken. Ik wil niet als een kasplantje verder leven, had ze gezegd. Hij had haar met grote ogen aangekeken. Echt? Nou, dat doe je niet met mij, hè!
DONATIE
Dat spookt door haar hoofd, als er geen zicht meer op herstel is en Sven eigenlijk stervende is. Haast tussen neus en lippen door vraagt de behandelend arts of Willem en Babeth wel eens aan orgaandonatie hebben gedacht. Hij deed het netjes, en heel terloops. Als je naar huis rijdt ben je toch al heel erg bezig met die vraag: wel of geen donatie. Je durft eigenlijk geen ja te zeggen. Je denkt ergens dat Sven dat zelf nooit zou willen. Je ziet hem nog zo ruziën met zijn zus Denice over zijn speelgoed: wat van mij is, is van mij. Je bent ook gewoon bang dat Sven zal zeggen: nou heb je me toch opgegeven en ik had nog zo gezegd, dat doe je niet met mij, hè!
Het is eigenlijk de boosheid over het zinloze van Svens onafwendbare overlijden die de doorslag geeft. Eerst zet Babeths moeder haar aan het denken: Met zijn gezonde organen kun je misschien wel drie levens redden. Babeth: Daar sta je tot dat moment, met al je verdriet, nog niet eens zo bij stil. Dan is er ook de woede-uitbarsting van Willem, die het allemaal te machtig wordt. Zo kerngezond, zo sterk. Alleen zijn koppie doet het niet meer. Wat zonde van al die talenten. Alles weg.
De volgende dag besluiten ze in te stemmen met orgaandonatie. Anders was zijn leven, zijn ongeluk, zijn dood voor niets geweest. Echt alles voor niets en zinloos. Dat is niet te verkroppen. Zijn nieuwe fiets gooi je toch ook niet op de vuilnisbelt.
Sven krijgt het laatste woord. Aan zijn bed leggen ze hem hun dilemma voor en zeggen: Als je weg wilt, dan mag je gaan. Ze zijn ontroerd als de behandeling stopt en zijn hart blijft kloppen. Er is opluchting. Voor ons is het absoluut een teken dat Sven het echt zelf wil, dat zijn organen gebruikt worden om anderen te redden.
BIKKEL
De artsen staan ook versteld hoe krachtig zijn hart nog klopt. Willem en Babeth lopen over van trots op onze bikkel. Ze knuffelen hem: Sven, jongen. Je bent geweldig. Er volgen dan nog vier slopende dagen en nachten. Zolang er nog iets in zijn bloed te vinden is van de medicijnen, die Sven in een kunstmatige slaap hebben gebracht, mogen de artsen hem niet doodverklaren. Dus ook geen organen verwijderen.
Pas de vierde dag is het zo ver. Je zit dan als ouder te wachten op het doodvonnis van je kind. Dat is hard. Je weet dat het afgelopen is, maar officieel mag het niet zo heten. Alsof het leven je nog eens extra wil inpeperen: je kindje gaat dood, je kindje gaat dood. Al die tijd is er de kans dat het hart toch nog stopt en doneren ook niet meer kan.
Svens hart is uiteindelijk naar een ziekenhuis in München gegaan, zijn nieren naar Groningen en zijn lever naar Hannover. Van zijn milt weten ze nog niets. Over enkele maanden krijgen ze bericht of de transplantaties zijn gelukt en wie de organen hebben gekregen. Dat wil zeggen, de leeftijd, het geslacht en het land.
Normaal gesproken gaan de organen naar kinderen van vergelijkbare leeftijd. Dat maakt het extra mooi. Sven redt misschien nog wel zes kinderlevens ergens in Europa en geeft hen een nieuwe toekomst. Dat biedt ontzettend veel troost. Ergens leeft er nog een stukje van je kind door. Zijn hartje klopt nog. Elk orgaan is natuurlijk belangrijk, maar het hart is gevoelsmatig zo belangrijk. Svens dood heeft nog iets positiefs gekregen. Dat maakt het verlies enigszins draaglijk.
TOEVAL
Het moeilijkste komt nog, denken we. We moeten echter naar de toekomst blijven kijken; we hebben ook nog een dochter die een normale jeugd verdient. Niet al maar achterom kijken, al blijft Sven altijd bij ons. En gelukkig ook bij vele anderen.
[ Bron: De Stentor 20-07-04 ]
|